Kernsplijting

In onze kerncentrale splijten we uranium-atomen. Met de warmte die daarbij ontstaat, maken we stoom. Die gebruiken we om een turbine aan te drijven waarmee we elektriciteit opwekken. We leggen het uit.

Hoe werkt kernsplijting?

In de natuur komen twee soorten uranium voor: het niet-splijtbare uranium-238 en het wel-splijtbare uranium-235. Onze reactor werkt op een mengsel van ongeveer 96 procent onsplijtbaar en 4 procent splijtbaar uranium. Dit mengsel noemen we splijtstof. Per jaar gebruiken we zo’n tien ton van dit uraniummengsel. De nummers 235 en 238 staan voor het aantal deeltjes waaruit de kern van deze uraniumsoort bestaat.

Splijtbaar uranium-235 is instabiel. Als een ander klein deeltje (een neutron) dit atoom raakt, valt het uranium-235 uit elkaar. Dit noemen we kernsplijting. Bij splijting ontstaan drie dingen:

Warmte
Met de vrijgekomen warmte maken we stoom. De stoom drijft de turbines aan waarmee we elektriciteit produceren.

Nieuwe neutronen
Uit de gespleten uraniumkernen ontstaan nieuwe neutronen. Die raken andere uranium-235 kernen. Onder de juiste omstandigheden splijten die ook. Zo houden we een kettingreactie in stand. Operators kunnen de kettingreactie sturen: meer of minder vermogen, of stopzetten.

Afvalproducten
Na vier jaar is de splijtstof uitgewerkt. Te veel uranium-235 kernen zijn gespleten. Het grootste deel van de splijtstof is echter uranium-238. Dat kunnen we hergebruiken. In een recyclingfabriek worden de circa 5 procent onbruikbare splijtingsproducten eruit gehaald en verwerkt als afval. De rest (95 procent) wordt gerecycled.