“De kernenergiediscussie is veel te lang een welles/nietes-discussie geweest. Het heeft helemaal geen zin waardeoordelen te koppelen aan een natuurlijk fenomeen. Of het nu goed of slecht is, kernsplijting is er gewoon - net als zonnestralen. Je kunt er vervolgens goed of slecht mee omgaan. Daar moet dus ook de discussie over gaan.” 

Deze woorden sprak de toenmalige directeur van EPZ bij het dertig jarige bestaan van onze kerncentrale in 2003. Het is het jaar dat sluiting van de kerncentrale ternauwernood door de rechter werd voorkomen. 2003 lijkt lang geleden, maar de geschiedenis herhaalt zich steeds. Keer op keer leidt maatschappelijke huiver voor kernenergie tot discussie over het voortbestaan van ons bedrijf. EPZ moet zich permanent verantwoorden.

De historie van EPZ, het reactorvat

Is dat slecht voor ons bedrijf? Nee. Alle aandacht en discussie zorgen ervoor dat wij alert zijn. Wij hebben geleerd dat veiligheid een absolute voorwaarde is waaraan niet getornd wordt en dat we ons te allen tijde moeten kunnen verantwoorden. Onze geschiedenis laat zien dat we kritiek ter harte nemen en leren van ervaringen van onszelf en van anderen.

In 1968 start de bouw van onze kerncentrale. In die tijd stond de ingenieur nog op zijn (vrouwen ontbraken volledig in de techniek) voetstuk. Onze kerncentrale is samen met de kerncentrale Dodewaard de voorbode van een hele nieuwe toekomst. Goedkope kernenergie in overvloed. Toch wordt in Borssele niet op één paard gewed. Naast de kerncentrale verrijst tegelijkertijd ook een olie en gasgestookte conventionele elektriciteitscentrale. Maar meteen bij de oplevering in 1973 ontstaan er zorgen over onze energievoorziening. De oliecrisis dient zich aan en de autoloze zondag staat nog steeds in ons collectieve geheugen gegrift. Ook zien we de eerste tekenen van een opkomende ‘kritiese’ generatie (bezetting Maagdenhuis van de Universiteit van Amsterdam). Daar krijgt onze kerncentrale nog volop mee te maken.

Al met al levert Siemens/Krafftwerkunion met de bouw van onze kerncentrale aan de Westerschelde een internationale superprestatie. Het wordt een technisch en kwalitatief excellent stuk werk. Vooral het reactorvat van kerncentrale Borssele was (en is) een visitekaartje van Duitse Gründlichkeit. Siemens hoopt op meer orders. De ‘Nota inzake het kernenergiebeleid’ (1972) van EZ-Minister Langman mikte maar liefst op 35 kerncentrales in het jaar 2000!

Maar meteen vanaf de opstart in 1973 wordt duidelijk dat voor kernenergie het tij begint te keren. In Amerika richten verontruste jongeren Greenpeace op als reactie op (militaire) atoomproeven. Ook aan vreedzame kernenergie voor stroomopwekking kleeft het negatieve imago van de paddenstoelwolk van de atoombommen op Japan (1945). In Nederland neemt de weerstand tegen kernenergie hand over hand toe.

Het kernongeluk in de Amerikaanse kerncentrale van Harrisburg (1979) versterkt de maatschappelijke onrust. De Zeedijk in Borssele wordt samen met de uiterwaarden bij Dodewaard tot ver in de jaren tachtig van de vorige eeuw het toneel voor demonstraties en rellen.

Het ernstige ongeluk in Amerika heeft grote invloed op ons bedrijf. In Harrisburg leiden kleine storingen en ergonomisch slecht ontworpen apparatuur tot bedieningsfouten met grote gevolgen. Deze conclusies zijn voor EPZ aanleiding voor een kritische blik op de eigen organisatie en installatie. Er worden technische verbeteringen doorgevoerd in de kerncentrale Borssele, zoals de bouw van extra koelwatersystemen. Daarnaast komt er meer aandacht voor de invloed van menselijk handelen op de veiligheid.

De overheid probeert intussen de maatschappelijke onrust rond kernenergie te regisseren met een Brede Maatschappelijke Discussie (1981). Die duurt erg lang en levert nagenoeg niets op. De onrust neemt toe door het tegelijkertijd gevoerde debat over nucleaire oorlogvoering (de plaatsing van kruisvluchtwapens). De overheid stelt als reactie op dit alles haar vreedzame nucleaire  ambities bij. In plaats van 35 kerncentrales besluit premier Lubbers er ‘maar’ drie bij te bouwen.

Een tweede ernstig reactorongeluk in de toenmalige USSR (Tsjernobyl 1986) wakkert de maatschappelijke onrust nog verder aan. Hoewel de kerncentrale van Tsjernobyl met een onveilig ontwerp volstrekt onvergelijkbaar is met de robuuste westerse kerncentrales zoals Borssele, vallen er toch de nodige lessen te trekken. De belangrijkste is dat kernenergie vanwege de grote risico’s bij ongelukken, goede internationale samenwerking eist. Transparantie, van elkaar leren en elkaar controleren wordt de norm. De Verenigde Naties (VN) krijgen hierin een belangrijke taak. De plannen voor nieuwe kerncentrales verdwijnen in de ijskast.

Nog dat zelfde jaar en een tweede keer in 1987 bezoekt een VN Operational Safety Review Team (OSART) kerncentrale Borssele. EPZ reageert op de bevindingen met nog meer veiligheidsinvesteringen. OSART missies vinden tot op de dag van vandaag plaats om te leren van elkaar.

De Nederlandse politiek besluit om verbeteringen niet langer ad hoc door te voeren, maar de veiligheid permanent te monitoren. Er komen wettelijke 10-jaarlijkse veiligheidsevaluaties. Iedere tien jaar moet kerncentrale Borssele aangepast worden aan de stand der techniek.

Ook op het gebied van conventionele energieopwekking gaat EPZ met de tijd mee. In 1987 is de ombouw van de olie/gasgestookte centrale naar een kolencentrale voltooid. Olie maakt te afhankelijk van de OPEC-landen, kolen zijn breder verkrijgbaar. Later volgen er meer aanpassingen, zoals rookgasontzaweling en DeNOx om de in de jaren tachtig actuele verzuring van het milieu tegen te gaan.

In 1990 worden de kerncentrale Borssele en de naastgelegen kolencentrale formeel overgeheveld van de Provinciale Zeeuwse Energie Maatschappij (PZEM) naar de Elektriciteits-Produktiemaatschappij Zuid-Nederland (EPZ). In dit bedrijf zitten nog meer elektriciteitscentrales in het zuiden van Nederland.

Ook in de kerncentrale wordt volop geïnvesteerd. Uit de eerste 10-jaarlijkse veiligheidsevaluatie volgt in 1993 een groot moderniseringsprogramma. Maar door de vergunningprocedure loopt dit modificatieprogramma vertraging op. De maatschappelijke weerstand tegen kernenergie vertaalt zich in 1994 in een heftig politiek debat in de Tweede Kamer. Inzet is de toekomst van kerncentrale Borssele. Om het moderniseringsprogramma te kunnen terugverdienen, moet de kerncentrale minimaal tot 2007 in bedrijf blijven. Een kleine kamermeerderheid wijst dit af. De minister besluit tweeledig: de modernisering mag doorgaan, maar hij geeft geen goedkeuring aan het deel van het toenmalige wettelijke Elektriciteitsplan waarin het jaar 2007 wordt genoemd.

Het grootschalige moderniseringsprogramma van de kerncentrale verloopt voorspoedig. Er wordt voor het enorme bedrag van 450 miljoen gulden aan extra veiligheid ingebracht. De bediening van de kerncentrale wordt veiliger en er komen meervoudig uitgevoerde veiligheidssystemen. De kerncentrale wordt aardbevings- en overstromingsbestendig, krijgt extra gebunkerde noodstroom- en koelwatervoorzieningen, een nieuwe ergonomische regelzaal en de medewerkers gaan trainen op een simulator. De wereld heeft veel aandacht voor dit project dat in 1997 wordt afgerond.

Als in de jaren ’90 steeds duidelijker wordt dat CO2 een probleem wordt (opwarming klimaat), gaat EPZ in haar kolencentrale een steeds groter aandeel biomassa meestoken. Ook industrieel restgas van naastgelegen industrie gaat in de ketel zodat dit niet onnodig wordt afgefakkeld. De kolencentrale is koploper op milieugebied.

Gedurende het moderniseringstraject van de kerncentrale is het niet duidelijk of de politiek EPZ de tijd gunt om de mega-investering terug te verdienen. Die duidelijkheid komt er wel als de minister in 1997 besluit om de centrale per 31 december 2003 te sluiten en de niet terugverdiende investeringen te compenseren. Het personeel van de kerncentrale is verbijsterd en vecht het politieke besluit aan.

In 1998 wordt in het kader van de liberalisering van de elektriciteitsmarkt de politiek-parlementaire invloed op de elektriciteitsproductie sterk verminderd. De nieuwe Elektriciteitswet schaft het Elektriciteitsplan af waardoor parlementaire goedkeuring niet meer nodig is. Inmiddels hebben de medewerkers van de kerncentrale zich verenigd in de belangenvereniging ‘2003+’. De Raad van State buigt zich over de kwestie of de kerncentrale na 2003 dicht moet.

In het jaar 2000 lijkt er duidelijkheid te komen. De Raad van State oordeelt dat het besluit om de kerncentrale in 2003 te sluiten onrechtmatig tot stand is gekomen. De opluchting bij EPZ maakt echter meteen plaats voor nieuwe ongerustheid: de Staat daagt EPZ ook nog voor de civiele rechter. De overheid meent dat er naast een politiek besluit er ook een civielrechtelijk afspraak voor sluiting is gemaakt. Het duurt tot 21 september 2001 tot EPZ opgelucht adem kan halen: de rechter veegt de bewering van een afspraak van tafel. De kerncentrale beschikt weer over een vergunning voor onbepaalde tijd.

In 2001 wordt het bedrijf EPZ opgesplitst. De delen gaan op in de nieuwe bedrijven Essent en Delta. De kolencentrale gaat naar Essent en alleen de kerncentrale blijft achter in het ‘oude’ EPZ. De nieuwe bedrijven worden elk 50 procent aandeelhouder. Het blijkt geen logische keuze om de kolencentrale bij Essent en de kerncentrale bij EPZ onder te brengen. De twee stroomfabrieken delen immers dezelfde locatie. Twee jaar later wordt het besluit teruggedraaid en keert de kolencentrale weer terug naar EPZ.

De politiek kan nog steeds niet akkoord gaan met het ontbreken van een einddatum in de vergunning van de kerncentrale van EPZ. Ze besluit medio 2003 dat het in 2013 afgelopen moet zijn voor de kerncentrale. Maar omdat directe politieke invloed op de elektriciteitsproductie wettelijk is verminderd, treedt de minister van Economische Zaken hierover in overleg met EPZ.

Intussen neemt de maatschappelijke (en dus politieke) weerstand tegen kernenergie in ons land steeds verder af. Kernenergie staat veel minder prominent op de politieke agenda. Dat ook zichtbaar op de Zeedijk voor de kerncentrale: er staan daar ondanks alle inspanningen van tegenstanders meestal meer schapen dan demonstranten.

Dit alles vermindert de druk op een onmiddellijk besluit. Voors en tegens worden in 2005 in alle rust afgewogen. Uit onderzoek blijkt dat er geen veiligheidsredenen zijn om de kerncentrale in 2013 te sluiten. De gesprekken tussen EPZ en de overheid monden in 2006 uit in het Borssele Convenant. Er wordt afgesproken dat de kerncentrale Borssele open blijft tot 2034 mits hij bij de 25 procent veiligste westerse drukwater kerncentrales blijft behoren. Een onafhankelijke Benchmark Commissie ziet hierop toe. Als tegenprestatie investeren de aandeelhouders Delta en Essent fors in duurzame energie.

In deze periode komt er steeds meer aandacht voor het vergroenen van de kolencentrale. Er wordt er steeds meer milieutechnologie ingebracht, zoals een verbetering van de DeNOx-installatie. De schoorsteen stoot hoofdzakelijk alleen nog maar waterdamp en CO2 uit. Ook die laatstgenoemde component wordt door EPZ aangepakt. Naast de meestook van industriële restgassen, wordt het aandeel biomassa (schoon hout) stapje voor stapje vergroot. Tot aan 2009 wordt er telkens geïnvesteerd in de vergroting van de biomassa-capaciteit. In het achterhoofd mikt EPZ op de mogelijkheid om op termijn over te stappen op 100 procent biomassa waardoor de kolencentrale CO2-neutraal wordt.

In 2011 wordt Delta voor 70 procent aandeelhouder van EPZ. De Nederlandse dochter van het Duitse RWE krijgt 30 procent van de aandelen. Het herwonnen vertrouwen in kernenergie loopt een forse deuk op als dat jaar in Japan (2011) de kerncentrales van Fukushima worden overspoeld door een reusachtige tsunami. Ze blijken niet bestand tegen dit natuurgeweld en er ontstaat een groot kernongeluk. Duitsland stopt onmiddellijk met kernenergie. In Nederland geniet Borssele voldoende vertrouwen in de maatschappij. Wel volgt er een Europese stresstest voor kerncentrales die uitwijst hoe veilig alle kerncentrales zijn. Voor Borssele wordt duidelijk dat er zeer ruime veiligheidsmarges zijn. Natuurlijk zijn er verbeteringen mogelijk waarmee de veiligheidsmarges nog ruimer worden. Wel moet daarvoor de kernenergiewetvergunning worden gewijzigd. Eind 2012 liggen de voorgenomen verbeteringen van de zojuist afgeronde Tienjaarlijkse Veiligheidsevaluatie en de maatregelen van de Stresstest ter inzage in het gemeenthuis in Borssele.

Ondanks alle investeringen en voorgenomen verduurzamingsmaatregelen, pakken donkere wolken zich samen boven de kolencentrale. In 2013 komt er een CO2-heffing voor kolencentrales en verdwijnt de subsidie voor de meestook van biomassa. Het draagvlak voor de ombouw van de kolencentrale naar een biomassacentrale is in Zeeland groot. Maar de economische haalbaarheid wordt een hele uitdaging.

Bij de kerncentrale gaat het beter. Na een voorlopige beschikking in 2013 starten de aanpassingen en verbeteringen in de kerncentrale. In datzelfde jaar verduurzaamt EPZ haar splijtstofgebruik voor haar productie tot 2034. Er komt meer ruimte voor de inzet van gerecyclede splijtstoffen. Naast het gebruik van afgedankt uranium als gevolg van ontwapeningsverdragen gaat EPZ haar eigen gebruikte uranium en haar plutonium opnieuw inde reactor doen.

In 2014 wordt duidelijk dat de kolencentrale het niet gaat redden. De landelijke politiek wil oude kolencentrales sluiten. Door uitblijven van hulp van de overheid mislukt het plan om de kolencentrale om te bouwen naar biomassa. Het besluit valt om hem dicht te doen; voor het personeel komt een oplossing. November 2015 volgt het dramatische einde. Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden krijgt de kolencentrale voor het eerst in zijn bestaan te maken met enkele zware arbeidsongevallen, waarvan één met fatale afloop. De directie besluit door deze gebeurtenissen de kolencentrale eerder uit bedrijf te nemen. Verreweg de meeste medewerkers vinden ander werk of gaan met pensioen.

In april van 2016 is de geheel gereviseerde kernenergiewetvergunning voor de aanpassingen in de kerncentrale tot 2034 definitief van kracht geworden. De markt voor elektriciteit zit tegen door een groot aanbod van gesubsidieerde elektriciteit. De kerncentrale krijgt voor het eerst in zijn bestaan te maken met een commerciële situatie waarbij kostprijs en marktprijs voor elektriciteit elkaar naderen. De toekomst is uitdagend.